Citaat | Hoge Raad 1 oktober 2002
Alinea 30 Hoge Raad 1 oktober 2002
Een alinea uit Hoge Raad 1 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5663.
Dit ligt anders bij een niet-professionele getuige. De bekendheid met de naam, de voornamen, het beroep, de leeftijd of de woon- en verblijfplaats van een dergelijke getuige kan wel degelijk nodig zijn om de betrouwbaarheid van die getuige te onderzoeken. De rechter-commissaris onderscheidenlijk de rechter ter terechtzitting zal van geval tot geval moeten beoordelen in hoeverre genoemde gegevens bepalend zijn voor de vaststelling van de identiteit van de getuige. Bij de toepassing van de voorgestelde artikelen 190, tweede lid en 284, eerste lid, tweede volzin, zal het in de regel gaan om getuigen die met de verdachte geen enkele relatie hebben, zoals toevallige voorbijgangers. Is er immers wel sprake van een relatie van de verdachte, dan zal de getuige door de verdachte worden herkend en heeft toepassing van genoemde bepalingen geen zin."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d02e22b4b86df21beec115cf34ac5dab351734b5aa58adf7291e4511e5af51ab. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d02e22b4b86df21beec115cf34ac5dab351734b5aa58adf7291e4511e5af51ab, en de alinea staat in dat document op bytes 9472 tot 10335.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d02e22b4b86df21beec115cf34ac5dab351734b5aa58adf7291e4511e5af51ab | shasum -a 256