Citaat | Hoge Raad 10 december 2002
Alinea 20 Hoge Raad 10 december 2002
Een alinea uit Hoge Raad 10 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6863.
2. Ten aanzien van het meeste belastende bewijs dat tegen cliënt is gevonden, het DNA materiaal, stelt hij dat [betrokkene 1] het stukje glas waarop bloed is aangetroffen van elders moet hebben meegenomen. Op zich hebben de opsporingsambtenaren dit bewijsstuk niet zelf ontdekt en veilig gesteld. Dat staat in deze vast. De verklaring van [betrokkene 1] dat zij in het bergje glas op de vloer een scherfje zag liggen met daarop iets dat bloed zou kunnen zijn, is op zich ook nogal merkwaardig omdat een dergelijke opmerkzaamheid niet verwacht wordt van iemand die in een shock verkeert. Uit het dossier blijkt dan ook dat zij op het stukje glas opmerkzaam is gemaakt door haar medewerkers. Dat breidt de kring van personen die het stukje glas met het bloed daar neergelegd zou kunnen hebben in ieder geval uit tot twee. Niets is gemakkelijker dan het verplaatsen van DNA bevattende materialen, bijvoorbeeld om het opsporingsapparaat te misleiden, maar in ieder geval staat niet vast dat het de rechercheurs zijn geweest, belast met het opsporingsonderzoek, die het bewijs hebben aangetroffen en in eerste instantie veilig gesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4a1d5502b4e2ec4a52212d28c73f4b6becd927611bc79e84a9f6131413ad3609. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4a1d5502b4e2ec4a52212d28c73f4b6becd927611bc79e84a9f6131413ad3609, en de alinea staat in dat document op bytes 6827 tot 7971.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4a1d5502b4e2ec4a52212d28c73f4b6becd927611bc79e84a9f6131413ad3609 | shasum -a 256