Citaat | Hoge Raad 10 december 2002
Alinea 21 Hoge Raad 10 december 2002
Een alinea uit Hoge Raad 10 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6863.
3. Ofschoon cliënt geen direct motief kan aangeven voor een dergelijk handelen van [betrokkene 1] of een van haar medewerkers, kan het natuurlijk ook zijn dat de werkelijke dader een dergelijk spoor opzettelijk heeft achtergelaten, om de opsporingsambtenaren op een dwaalspoor te zetten. Anders dan dit bewijs op het eerste gezicht doet vermoeden, kan dit bewijs nimmer het enige bewijs zijn waarop cliënt zou kunnen worden veroordeeld. Er is immers slechts vastgesteld dat ter plekke, en dan ook nog eens door derden, DNA materiaal aangetroffen is dat in hoogste mate van waarschijnlijkheid afkomstig is van cliënt. Op zich is deze vaststelling dan niet meer dan een aanwijzing."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4a1d5502b4e2ec4a52212d28c73f4b6becd927611bc79e84a9f6131413ad3609. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4a1d5502b4e2ec4a52212d28c73f4b6becd927611bc79e84a9f6131413ad3609, en de alinea staat in dat document op bytes 7979 tot 8675.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4a1d5502b4e2ec4a52212d28c73f4b6becd927611bc79e84a9f6131413ad3609 | shasum -a 256