Citaat | Hoge Raad 29 november 2002
Alinea 65 Hoge Raad 29 november 2002
Een alinea uit Hoge Raad 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7005.
3.4.1 De middelen 1 en 2 - behalve onderdeel 1.B.3 - zijn gericht tegen rov. 4.5-4.8 waarin het Hof de eerste grief, gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] c.s. gegrond heeft bevonden. Het heeft in rov. 4.6 geoordeeld dat [verweerder] c.s. onbetwist hebben gesteld dat zij weliswaar geldsbedragen ter grootte van ieders schade hebben ontvangen van de assuradeur van Brabant Chemie maar dat deze betaling heeft plaatsgevonden bij wege van geldlening. In rov. 4.8 heeft het Hof samengevat geoordeeld dat [verweerder] c.s. voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW bij deze rechtsvordering hebben, omdat zij zich tot het instellen en voortzetten van de onderhavige rechtsvordering hebben verplicht en het geld niet zouden hebben ontvangen als zij niet aan deze verplichting hadden voldaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e67b5a407f14a1f759f341e36cf046d05ddbef7f12f59cb4551d1c7508bd681d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e67b5a407f14a1f759f341e36cf046d05ddbef7f12f59cb4551d1c7508bd681d, en de alinea staat in dat document op bytes 13968 tot 14793.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e67b5a407f14a1f759f341e36cf046d05ddbef7f12f59cb4551d1c7508bd681d | shasum -a 256