Citaat | Hoge Raad 1 november 2002

Alinea 38 Hoge Raad 1 november 2002

Een alinea uit Hoge Raad 1 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7347.

De klachten berusten op een onjuiste lezing van het vonnis van de Rechtbank. In haar rov. 3.3 stelt de Rechtbank immers voorop dat [eiser] bij zijn betoog dat voormelde vraag bevestigend diende te worden beantwoord met name erop heeft gewezen dat [verweerster] hem steeds ten onrechte had meegedeeld dat hij geen recht zou hebben op de toeslag, waarna de Rechtbank vervolgens uiteenzet dat dit onvoldoende is voor een beslissing in de door [eiser] gewenste zin omdat niet valt in te zien waarom [eiser], die na zijn ontslag in 1994 werd bijgestaan door een advocaat, die mededelingen niet zou hebben kunnen laten toetsen. De klachten missen dus feitelijke grondslag en kunnen daarom niet tot cassatie leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/40ee132771674537fd53e4d7b341461a95ff22e148949d856ac74a5326feec3d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 40ee132771674537fd53e4d7b341461a95ff22e148949d856ac74a5326feec3d, en de alinea staat in dat document op bytes 11087 tot 11808.