Citaat | Hoge Raad 29 november 2002
Alinea 39 Hoge Raad 29 november 2002
Een alinea uit Hoge Raad 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7368.
3.2.1 Middel I keert zich tegen rov. 2.3 van het Hof en strekt ten betoge dat indien een getuige kiest voor het afleggen van de eed, hij deze eed dient af te leggen "naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid." [Verweerder] en [betrokkene 1], beiden moslim, hadden moeten worden "verplicht tot het afleggen van de eed door middel van het zweren met de hand op de Koran." [De] Nederlandse eed "Zo waarlijk helpe mij God almachtig" [heeft] voor hen geen enkele betekenis." Het Hof had, aldus het middel, de door hen "onder bezwaar van de Nederlandse eed afgelegde verklaringen" als onbetrouwbaar althans als onvolledig dienen aan te merken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7829593a0f78fc4fded7eda8a5368615a5927b8ed47f01b35e5e95e6da3c75d8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7829593a0f78fc4fded7eda8a5368615a5927b8ed47f01b35e5e95e6da3c75d8, en de alinea staat in dat document op bytes 11202 tot 11856.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7829593a0f78fc4fded7eda8a5368615a5927b8ed47f01b35e5e95e6da3c75d8 | shasum -a 256