Citaat | Hoge Raad 24 december 2002

Alinea 22 Hoge Raad 24 december 2002

Een alinea uit Hoge Raad 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7619.

"De raadsman dient een bezwaar in tegen het feit dat de voorzitter op de zitting van 27 april 2001 het woord heeft gegeven aan iemand op de publieke tribune. Hij voert aan dat deze verklaring onder ede had moeten worden afgelegd, en de verdediging de mogelijkheid had moeten hebben vragen aan deze persoon te stellen. Voorts zijn de personalia niet geverifieerd. De raadsman is derhalve van oordeel dat de verklaring, zoals deze ter terechtzitting is afgelegd, niet mag worden meegenomen in het bewijs. De voorzitter verklaart daarop dat [betrokkene 1], de moeder van enkele slachtoffers, bericht heeft ontvangen van de zitting. Door de voorzitter is zij slechts gevraagd naar het welzijn van haar kinderen die slachtoffer zijn geworden. Zij is niet gehoord als getuige. Haar verklaring draagt niet bij aan het bewijs. Verdachte geeft de feiten overigens zelf toe. De voorzitter acht het stellen van deze vraag in deze zaak niet strijdig met de rechten van de verdediging."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb225d8407c5870693d996bd6526f0c9a7694c526b6ac8a8134039daf8f509c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb225d8407c5870693d996bd6526f0c9a7694c526b6ac8a8134039daf8f509c0, en de alinea staat in dat document op bytes 9049 tot 10035.