Citaat | Hoge Raad 27 september 2002

Alinea 29 Hoge Raad 27 september 2002

Een alinea uit Hoge Raad 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8145.

3.2.2. Het eerste middel, dat zich tegen dit oordeel en de redengeving daarvan verzet, faalt. Artikel 3, lid 1, letter e, van de Wet moet in dit verband worden uitgelegd in het licht van het bepaalde in artikel 5, leden 1 en 3, van de Zesde richtlijn. Het aangaan van een obligatoire overeenkomst tot het vestigen van een recht van erfpacht is niet aan te merken als de levering van een lichamelijke zaak. Dit wordt niet anders nu in de Wet gebruik is gemaakt van de in artikel 5, lid 3, van de Zesde richtlijn geboden mogelijkheid om te bepalen dat bepaalde, aangewezen zakelijke rechten zijn aan te merken als lichamelijke zaken, aangezien in artikel 3, lid 2, van de Wet slechts daadwerkelijk tot stand gekomen rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen als vatbaar voor levering zijn aangemerkt en de Zesde richtlijn, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, zulks toestaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/25c4d8820a55fb234eb383de56a57784ff43318534c2a6c181ba659440b2d7f4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 25c4d8820a55fb234eb383de56a57784ff43318534c2a6c181ba659440b2d7f4, en de alinea staat in dat document op bytes 9659 tot 10566.