Citaat | Hoge Raad 6 december 2002

Alinea 39 Hoge Raad 6 december 2002

Een alinea uit Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8182.

3.6 Met betrekking tot de in onderdeel 2 vermelde omstandigheden geldt dat (ad a) uit de pleitnota in eerste aanleg niet blijkt dat [eiser] zulks heeft betoogd, (ad b) uit de dagvaarding in eerste aanleg niet blijkt dat [eiser] zulks - expliciet dan wel impliciet - heeft gesteld, (ad c) uit de stukken van het geding niet blijkt dat [eiser] zich op dergelijke parallellen heeft beroepen, en (ad d) uit de stukken van het geding (MvA, onder 3.6) blijkt dat [eiser] met deze klacht doelt op de beslissing op bezwaar van 29 oktober 1997 van gedeputeerde staten van de Provincie Noord-Brabant; deze beslissing had echter betrekking op een verkeersbesluit van 25 juli 1997, dat los staat van het verkeersbesluit waarop de onderhavige procedure ziet. Het onderdeel kan derhalve voor een deel niet tot cassatie leiden omdat het feitelijke stellingen aanvoert waarvan uit de stukken van het geding niet blijkt dat zij reeds in de feitelijke instanties zijn aangevoerd. Het faalt voor het overige, omdat het Hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd en het oordeel van feitelijke aard is en in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a4ea13667e0a9700d2fc3b992655a506d7e40a514130068d8d2fcc4e1be07ddf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a4ea13667e0a9700d2fc3b992655a506d7e40a514130068d8d2fcc4e1be07ddf, en de alinea staat in dat document op bytes 12793 tot 13945.