Citaat | Hoge Raad 22 november 2002

Alinea 59 Hoge Raad 22 november 2002

Een alinea uit Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8185.

De onderdelen 4.2 en 4.3 betogen terecht dat het Hof niet, zoals het gedaan heeft, het oordeel van de Rechtbank dat aan de zijde van [eiseres] geen verarming heeft plaatsgevonden, zonder meer mocht overnemen. Dat oordeel berustte op de overweging dat [eiseres] volgens haar eigen stellingen de kunstvoorwerpen in bruikleen had van het Aartsbisdom en daarvoor geen vergoeding schuldig was, maar die motivering kon, wat daarvan overigens ook zij, in ieder geval in hoger beroep dit oordeel niet dragen. Daar nam [eiseres] immers niet meer het standpunt in dat zij de kunstvoorwerpen in bruikleen had. Zij bestreed nu niet meer dat deze door natrekking eigendom waren geworden van de eigenaar van het kerkgebouw maar zij stelde dat zij daardoor, voorafgaande aan de overdracht aan Sint Willibrordus in 1986, zelf als eigenaar van het gebouw ook eigenaar van de kunstvoorwerpen was geworden. Voor het overige berust de verwerping door het Hof van het beroep van [eiseres] op ongerechtvaardigde verrijking van Sint Willibrordus kennelijk op zijn oordeel dat vernietiging van de huurovereenkomst geen gevolgen behoeft te hebben voor de overige overeenkomsten, welk oordeel, zoals hiervoor in 3.3.6 is overwogen, niet in stand kan blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd052baa367bd3a2bc03467e363e3371ee112ab3dff23227af2c03d3a5ba75f3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd052baa367bd3a2bc03467e363e3371ee112ab3dff23227af2c03d3a5ba75f3, en de alinea staat in dat document op bytes 25457 tot 26702.