Citaat | Hoge Raad 22 november 2002
Alinea 64 Hoge Raad 22 november 2002
Een alinea uit Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8185.
Indien het Hof met dit oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat degene die zich op conversie beroept, moet stellen en met argumenten staven welke overeenkomst partijen zouden hebben gesloten als zij zich bewust zouden zijn geweest van de ongeldigheid van de door hen gesloten overeenkomst, berust dit oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Tekst en strekking van art. 3:42 BW brengen mee dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat "aangenomen moet worden", objectief gezien, dat de strekking van de nietige rechtshandeling in voldoende mate beantwoordt aan die van een andere, vervangende rechtshandeling. Tot die toepassing is de rechter ambtshalve bevoegd. Weliswaar is het in strijd met art. 3:42 een nietige overeenkomst om te zetten in een overeenkomst die partijen, naar moet worden aangenomen, niet zouden hebben gesloten als zij zich van de nietigheid van de gesloten overeenkomst bewust zouden zijn geweest, en verdient het mede daarom in het algemeen aanbeveling dat de rechter niet van zijn bevoegdheid in deze gebruik maakt voordat partijen de gelegenheid hebben gehad zich daarover uit te laten, maar daaruit volgt niet dat aan een beroep op conversie de hiervoor bedoelde eisen moeten worden gesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd052baa367bd3a2bc03467e363e3371ee112ab3dff23227af2c03d3a5ba75f3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd052baa367bd3a2bc03467e363e3371ee112ab3dff23227af2c03d3a5ba75f3, en de alinea staat in dat document op bytes 28594 tot 29836.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fd052baa367bd3a2bc03467e363e3371ee112ab3dff23227af2c03d3a5ba75f3 | shasum -a 256