Citaat | Hoge Raad 4 oktober 2002

Alinea 44 Hoge Raad 4 oktober 2002

Een alinea uit Hoge Raad 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8338.

3.3 Het tweede onderdeel is gericht tegen rov. 3.5 waarin de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat de commissaris zich op kosten van de vennootschap kan (bedoeld zal zijn: mag) verzekeren tegen de - gevolgen van - eventuele aansprakelijkheid waarmee hij als commissaris in en/of in verband met de uitoefening van zijn functie kan worden of wordt geconfronteerd, en dat de kosten in het eventuele geval dat hij aansprakelijk zou worden gesteld ten laste van de vennootschap komen. Daarbij heeft de Ondernemingskamer overwogen dat een en ander bepaald wordt om te bewerkstelligen dat de - door de Ondernemingskamer te treffen - voorzieningen het beoogde effect zullen hebben en meer in het bijzonder dat de commissaris zijn werkzaamheden onbelemmerd zal kunnen uitoefenen. Aldus heeft de Ondernemingskamer klaarblijkelijk op de voet van art. 2:357 lid 2 BW de gevolgen van de door haar getroffen voorziening geregeld. Het betreft hier immers een gevolg van de benoeming van een commissaris in dier voege dat de Ondernemingskamer het nodig heeft geoordeeld dat deze commissaris om adequaat te kunnen optreden in voldoende mate verzekerd dient te worden tegen de gevolgen van een eventuele aansprakelijkstelling en gevrijwaard dient te worden voor kosten die redelijkerwijze gemoeid zijn met het voeren van verweer te dier zake. Tot de regeling van dit een en ander was de Ondernemingskamer op grond van voormelde bepaling bevoegd, zodat de desbetreffende rechtsklacht van het onderdeel faalt. Uit de stukken van het geding, zoals vermeld in de onderdelen 3.16 en 3.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, blijkt dat over het afsluiten van een verzekering in algemene zin bij de mondelinge behandeling is gesproken. De Ondernemingskamer was, anders dan het onderdeel betoogt, niet gehouden aan [verzoekster] uitdrukkelijk een reactie te vragen. Het had op de weg van [verzoekster] gelegen eventuele bezwaren die zij te dier zake wilde aanvoeren, zelf naar voren te brengen. In het onderdeel wordt geen omstandigheid aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat [verzoekster] daartoe niet voldoende de gelegenheid heeft gehad. Het is aan de Ondernemingskamer als rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten te beoordelen of en in hoeverre de onderhavige regeling van de gevolgen van een voorziening noodzakelijk was. De Ondernemingskamer heeft haar oordeel, dat in het licht van de omstandigheden op grond waarvan wanbeleid is vastgesteld niet onbegrijpelijk is, toereikend gemotiveerd. Voor zover het onderdeel klaagt dat de Ondernemingskamer aan de commissaris te dezer zake "carte blanche" heeft gegeven, mist het feitelijke grondslag. Zowel met betrekking tot het sluiten van een verzekering als ten aanzien van de kosten die gemaakt zullen worden voor het voeren van verweer tegen een eventuele aansprakelijkstelling, houdt de beslissing van de Ondernemingskamer niet in dat de commissaris is ontslagen van zijn normale verplichting om zijn taak zorgvuldig en naar behoren uit te voeren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7e0769fc955663228a28214d9c2ef2d38521334efda8dda332720983509940d6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7e0769fc955663228a28214d9c2ef2d38521334efda8dda332720983509940d6, en de alinea staat in dat document op bytes 11835 tot 14857.