Citaat | Hoge Raad 22 november 2002

Alinea 33 Hoge Raad 22 november 2002

Een alinea uit Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8474.

3.2 Het middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het overeengekomen bedrag aan smartengeld niet buiten de faillissementsboedel valt. Het betoogt daartoe - samengevat weergegeven - het volgende. Het recht op schadevergoeding heeft door het aangaan van de vaststellingsovereenkomst zijn hoogstpersoonlijke karakter niet verloren; de curator kan de verknochtheid niet doorbreken (onderdeel 1). Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 6:106 BW blijkt dat maar op één plaats terloops aandacht is besteed aan de vraag of vergoeding van immateriële schade deel kan uitmaken van de failliete boedel; de Rechtbank mocht haar oordeel niet (mede) op de parlementaire geschiedenis gronden (onderdeel 2). Smartengeld is op een bijzondere wijze met de persoon verbonden (vgl. HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 693); deze verknochtheid brengt - mede gelet op redelijkheid en billijkheid - mee dat de aanspraak op smartengeld geheel dan wel gedeeltelijk buiten de failliete boedel blijft (onderdeel 3). Uit het arrest van 5 september 1997, NJ 1998, 437 (Ontvanger/Hamm) blijkt dat de Hoge Raad op grond van de redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden een afwijking van de strikte bepalingen van de Faillissementswet mogelijk acht; gelet op dit arrest en op het hiervoor in onderdeel 3 genoemde arrest dienen zeker de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval - het persoonlijk leed en de blijvende handicap van [verzoeker] - te leiden tot doorbreking van het strikte wettelijke stelsel (onderdeel 4). Gelet op hetgeen hiervoor is gesteld, op het beroep van [verzoeker] op de redelijkheid en billijkheid, als ook op de strekking van het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 1997, NJ 1997, 573 en op art. 21a Fw., had de Rechtbank moeten oordelen dat het smartengeld in ieder geval voor 6/7 gedeelte buiten het faillissement valt; de vergoeding voor de vóór en ná het faillissement geleden smart kan bezwaarlijk dienen om de crediteuren te voldoen, zij zouden daarmee ongerechtvaardigd verrijkt worden (onderdeel 5). Uit niets blijkt dat bij de redactie van art. 6:106 lid 2 BW rekening is gehouden met een geval als het onderhavige; het smartengeld is het enige alternatief om [verzoeker] zo veel mogelijk in de positie van vóór het ongeluk van 22 oktober 1993 te brengen (onderdeel 6).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/778406bc8bd31adad0336401a85fec373e1c050664a0caf1c7a83acaeff14aa9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 778406bc8bd31adad0336401a85fec373e1c050664a0caf1c7a83acaeff14aa9, en de alinea staat in dat document op bytes 8519 tot 10847.