Citaat | Hoge Raad 22 november 2002
Alinea 34 Hoge Raad 22 november 2002
Een alinea uit Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8474.
3.3.1 Bij de behandeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 6:106 lid 2 BW bepaalt dat het recht op vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat niet vatbaar is voor beslag, tenzij het bij overeenkomst is vastgelegd of ter zake een vordering in rechte is ingesteld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze - op zichzelf duidelijke - bepaling (M.v.A II, Parl. Gesch. boek 6, blz. 381) blijkt dat daarbij in overweging is genomen dat weliswaar de vordering tot vergoeding van immateriële schade in zoverre een hoogstpersoonlijk karakter heeft dat in beginsel slechts de benadeelde de vordering moet kunnen instellen, maar dat een eenmaal betaalde vergoeding zonder meer in het vermogen van de benadeelde valt, zodat die vatbaar is voor beslag, en dat zulks ook al het geval is als de vordering is aanhangig gemaakt of het recht op vergoeding van smartengeld bij overeenkomst is vastgelegd. Ook in de Toelichting Meijers (Parl. Gesch. boek 6, blz. 378) was reeds dit standpunt ingenomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/778406bc8bd31adad0336401a85fec373e1c050664a0caf1c7a83acaeff14aa9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 778406bc8bd31adad0336401a85fec373e1c050664a0caf1c7a83acaeff14aa9, en de alinea staat in dat document op bytes 10886 tot 11933.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/778406bc8bd31adad0336401a85fec373e1c050664a0caf1c7a83acaeff14aa9 | shasum -a 256