Citaat | Hoge Raad 22 november 2002

Alinea 37 Hoge Raad 22 november 2002

Een alinea uit Hoge Raad 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8474.

3.3.2 Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene moet worden geoordeeld dat het middel faalt. De wetgever heeft de aanspraak op smartengeld als hoogstpersoonlijk aangemerkt en deze aanspraak aan beslag en executie, en dus ook aan het faillissement, onttrokken. Deze uitzonderingspositie heeft de wetgever niet langer gerechtvaardigd geacht, indien de rechthebbende zijn aanspraak heeft geconcretiseerd in een vordering of overeenkomst. Dat de aanspraak op smartengeld zodanig met de persoon van de rechthebbende verknocht is dat smartengelduitkeringen niet in het faillissement zouden vallen - zoals de onderdelen 1 - 3 voorstaan -, is door de wetgever dan ook kennelijk niet aanvaard. De onderdelen doen ook tevergeefs een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997, nr. 16427, NJ 1998, 693. Dat de aanspraak op vergoeding van zowel materiële als immateriële schade die een huwelijkspartner heeft op de veroorzaker van een hem overkomen ongeluk, wegens verknochtheid buiten de algehele gemeenschap van goederen kan vallen, brengt immers niet mee dat die vergoedingen vervolgens buiten een eventueel faillissement van de rechthebbende zouden blijven. Het arrest geeft dan ook geen aanwijzing in de richting die de onderdelen bepleiten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/778406bc8bd31adad0336401a85fec373e1c050664a0caf1c7a83acaeff14aa9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 778406bc8bd31adad0336401a85fec373e1c050664a0caf1c7a83acaeff14aa9, en de alinea staat in dat document op bytes 14014 tot 15285.