Citaat | Hoge Raad 25 oktober 2002
Alinea 21 Hoge Raad 25 oktober 2002
Een alinea uit Hoge Raad 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8476.
Onderdeel I bestrijdt deze overweging in de eerste plaats met de klacht dat het feit dat die stukken ter zitting aan de raadsvrouw en aan de Rechtbank zijn overhandigd, niet betekent dat niet terecht het verweer is gevoerd. Deze klacht faalt, aangezien het ontbreken van de in art. 16, vierde lid, Wet Bopz bedoelde stukken niet tot gevolg heeft dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, maar slechts dat pas op de vordering kan worden beslist nadat die stukken alsnog zijn overgelegd (HR 24 juli 1995, nr. 8709, NJ 1996, 606 en HR 1 juli 1994, nr. 8506, NJ 1994, 722).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c63689c8ee946478508ce74efbc0849931a44800ab2a369d578a62d406dfbacf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c63689c8ee946478508ce74efbc0849931a44800ab2a369d578a62d406dfbacf, en de alinea staat in dat document op bytes 7472 tot 8079.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c63689c8ee946478508ce74efbc0849931a44800ab2a369d578a62d406dfbacf | shasum -a 256