Citaat | Hoge Raad 25 oktober 2002
Alinea 24 Hoge Raad 25 oktober 2002
Een alinea uit Hoge Raad 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8476.
Het onderdeel wordt terecht voorgesteld. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de arts, die was belast met het onderzoek, betrokkene niet persoonlijk heeft gesproken, maar het onderzoek heeft gebaseerd op de medische status en op correspondentie. Van een psychiater die een verklaring als bedoeld in art. 5 Wet Bopz afgeeft, mag echter, in verband met de op hem rustende verplichting om datgene te doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden, worden verwacht dat hij aan de persoon op wie die verklaring betrekking heeft, zelf kenbaar maakt dat hij voornemens is hem te onderzoeken, en dat hij, indien hij daarin niet slaagt, in zijn verklaring de redenen daarvan uiteenzet (HR 2 november 2000, nr. R00/100, NJ 2000, 717). Voorts dient de psychiater in zodanig geval in zijn verklaring uiteen te zetten op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens (HR 6 november 1998, nr. R98/114, NJ 1999, 103).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c63689c8ee946478508ce74efbc0849931a44800ab2a369d578a62d406dfbacf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c63689c8ee946478508ce74efbc0849931a44800ab2a369d578a62d406dfbacf, en de alinea staat in dat document op bytes 9149 tot 10248.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c63689c8ee946478508ce74efbc0849931a44800ab2a369d578a62d406dfbacf | shasum -a 256