Citaat | Hoge Raad 24 december 2002
Alinea 120 Hoge Raad 24 december 2002
Een alinea uit Hoge Raad 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8772.
S., die sinds ongeveer half maart 1998 op de hoogte was van B's doodswens, heeft na kennisneming van het concrete euthanasieverzoek, zoals geformuleerd in de bovenaangehaalde brief van 21 maart 1998, gedurende één maand acht à negen gesprekken gevoerd met B. Uit die gesprekken heeft S. de conclusie getrokken dat de doodswens duurzaam was, dat het verzoek vrijwillig en weloverwogen tot stand was gekomen, dat de door B. beleefde hoge lijdensdruk invoelbaar was gelet op de situatie en de biografie van zijn patiënt en dat - nadat een psychiatrische aandoening door consultatie van een psychiater was uitgesloten - geen behandelmogelijkheden voorhanden waren. Nadat ook de geraadpleegde consulent Wassenberg het verzoek had getoetst en dit als zeer invoelbaar had betiteld, heeft S. op 22 april 1998 zijn hulp aan de zelfdoding van B. verleend. De bereidheid om deze hulp te verlenen had S. al in een vroeg stadium aan B. kenbaar gemaakt, blijkens hetgeen de geconsulteerde psychiater Noll in zijn verslag meldt over het gesprek op 6 april l998 met B:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/93c2e4d0918c5f2c051d55e23f87838950ae82563707fa19ff2dd1f70a0cabf2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 93c2e4d0918c5f2c051d55e23f87838950ae82563707fa19ff2dd1f70a0cabf2, en de alinea staat in dat document op bytes 39165 tot 40235.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/93c2e4d0918c5f2c051d55e23f87838950ae82563707fa19ff2dd1f70a0cabf2 | shasum -a 256