Citaat | Hoge Raad 12 november 2002
Alinea 16 Hoge Raad 12 november 2002
Een alinea uit Hoge Raad 12 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9028.
3.1. Behoudens in uitzonderlijke gevallen waarin op grond van het bepaalde in art. 6 EVRM anders moet worden geoordeeld, is de raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, op de terechtzitting slechts bevoegd het woord te voeren ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken van aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld. Indien de rechter de raadsman toestaat buiten de bedoelde onderwerpen het woord te voeren, geschiedt dit in strijd met het wettelijke systeem. Dit betekent dat verweren die geen betrekking hebben op de hiervoor vermelde onderwerpen, waarover de raadsman - ondanks het ontbreken van een uitdrukkelijke machtiging van de verdachte om de verdediging te voeren - toch het woord mag voeren, geen behandeling behoeven en dat dienaangaande in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd (vgl. HR 23 april 2002, NJ 2002, 338, HR 25 juni 2002, LJN AE2639 en HR 25 juni 2002, LJN AE3587).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6052e0fcf73cea42f20da7c1186c32244947c6dcee12a5c6acb2b3275c21e6b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6052e0fcf73cea42f20da7c1186c32244947c6dcee12a5c6acb2b3275c21e6b6, en de alinea staat in dat document op bytes 6073 tot 7276.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6052e0fcf73cea42f20da7c1186c32244947c6dcee12a5c6acb2b3275c21e6b6 | shasum -a 256