Citaat | Hoge Raad 6 december 2002

Alinea 38 Hoge Raad 6 december 2002

Een alinea uit Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9250.

3.1 Voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, verwijst de Hoge Raad naar rov. 3 van het Hof. Kort gezegd komen die feiten op het volgende neer. De rechtsvoorgangster van Nuon - PGEM - heeft in 1988 aan [verweerster] een bedrijfsterrein verkocht en geleverd. De transportakte bevat onder meer de in het arrest van het Hof onder 3.1 vermelde exoneratiebedingen. Voorafgaand aan de verkoop heeft Nuon in 1987 een indicatief bodemonderzoek doen instellen door Fugro Ingenieursbureau B.V. In het Rapport van Fugro van 12 januari 1988 werd een beperkte verontreiniging geconstateerd van het terrein. Nadien is in 1993 in opdracht van G.S. van Gelderland een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd door Ingenieurs-bureau Oranjewoud B.V., waaruit (onder meer) blijkt van een sterke loodverontreiniging op plaatsen die niet door Fugro waren onderzocht. Vervolgens heeft Grontmij Gelderland in 1995 in opdracht van [verweerster] een verkennend bodemonderzoek verricht ten behoeve van een door [verweerster] aangevraagde milieuvergunning. Uit dit onderzoek blijkt eveneens van ernstiger verontreinigingen dan vermeld in het rapport van Fugro.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/78260cbb82be084d2a269585e15b68e76bc50ff110774522a45b302f5e27a83d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 78260cbb82be084d2a269585e15b68e76bc50ff110774522a45b302f5e27a83d, en de alinea staat in dat document op bytes 9593 tot 10752.