Citaat | Hoge Raad 6 december 2002

Alinea 40 Hoge Raad 6 december 2002

Een alinea uit Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9250.

3.3 Voor zover in cassatie van belang heeft het Hof - kort samengevat - als volgt geoordeeld. Ten aanzien van de meest ernstige verontreinigingen wordt voor het beroep op dwaling vooralsnog veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat deze zijn veroorzaakt door PGEM (rov. 4.4.10 - 4.4.14). In het onderhavige geval doet zich de in art. 6:228 lid 1, aanhef en onder c, BW vermelde dwalingsgrond voor (wederzijdse dwaling). "Vast staat", aldus het Hof in rov. 4.4.18, "dat de bodem aanmerkelijk ernstiger verontreinigd is dan blijkt uit het Fugrorapport. Zoals hiervoor vermeld, zijn er geen aanwijzingen dat één van partijen daarvan op de hoogte was of had moeten zijn. Aannemelijk is ook dat [verweerster], indien zij van deze ernstigere verontreiniging op de hoogte was geweest, de overeenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Dat Nuon, indien zij op de hoogte was geweest van de thans geconstateerde verontreiniging, niet had hoeven te begrijpen dat [verweerster] de overeenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten zo zij een juiste voorstelling van zaken had gehad, vermag het hof niet in te zien." Het Hof komt tot de slotsom dat [verweerster] een beroep op wederzijdse dwaling kan doen en dat er geen omstandigheden zijn die meebrengen dat de dwaling voor haar rekening dient te blijven (rov. 4.4.22 en 4.4.23). Ten aanzien van de exoneratiebedingen heeft het Hof geoordeeld dat Nuon in beginsel de exoneratiebedingen tegen [verweerster] kan inroepen. De vraag of de exoneratiebedingen geldend kunnen worden gemaakt ter afwering van de vordering tot wijziging van de gevolgen van de overeenkomst wegens dwaling, heeft het Hof ontkennend beantwoord (rov. 4.5.5 en 4.5.6). In de rov. 4.6.1 en 4.6.2 heeft het Hof geoordeeld dat Nuon aansprakelijk is voor de schade door verontreiniging van het verkochte terrein, bedoeld in zijn rov. 4.4.10 onder b en c, alsmede tot op tegenbewijs, voor de schade die in deze overweging is vermeld onder a. Op grond van dit alles heeft het Hof Nuon bewijs opgedragen (rov. 4.6.2) en een comparitie van partijen gelast waar [verweerster] haar in art. 6:230 lid 2 BW bedoelde vordering tot betaling van saneringskosten dient te specificeren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/78260cbb82be084d2a269585e15b68e76bc50ff110774522a45b302f5e27a83d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 78260cbb82be084d2a269585e15b68e76bc50ff110774522a45b302f5e27a83d, en de alinea staat in dat document op bytes 11337 tot 13588.