Citaat | Hoge Raad 25 oktober 2002
Alinea 21 Hoge Raad 25 oktober 2002
Een alinea uit Hoge Raad 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354.
3.2.4. Opmerking verdient nog dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, voor ontzenuwing van het vermoeden niet is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat de ten name van C gerestitueerde bedragen hem niet ten goede zijn gekomen; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert, redelijkerwijs moet worden betwijfeld of hij die bedragen heeft ontvangen. Nu de bewijslast niet is omgekeerd, is immers het bewijsrisico blijven berusten bij de Inspecteur, hetgeen inhoudt dat twijfel blijft werken ten gunste van belanghebbende. Opmerking verdient voorts nog dat tegenbewijs niet noodzakelijkerwijs behoeft te bestaan in nieuwe gegevens; denkbaar is ook dat het wordt geput uit passages uit het proces-verbaal van de FIOD, die het Hof niet in zijn uitspraak heeft genoemd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efbc28741b8a64f205bb2c40036eb805e4fea87233ad18d996d0008eee2f7e0e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efbc28741b8a64f205bb2c40036eb805e4fea87233ad18d996d0008eee2f7e0e, en de alinea staat in dat document op bytes 7549 tot 8354.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/efbc28741b8a64f205bb2c40036eb805e4fea87233ad18d996d0008eee2f7e0e | shasum -a 256