Citaat | Hoge Raad 6 december 2002

Alinea 48 Hoge Raad 6 december 2002

Een alinea uit Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9402.

Terecht heeft het L.B.I.O. naar voren gebracht, dat ook al zou de president het vrijstaan reeds in de procedure op grond van art. 604 Rv. (verzet tegen de wettigheid van de gijzeling) overwegingen op te nemen, die betrekking hebben op toepassing van art. 598j Rv., zulks niet betekent dat de president daarmee ontslagen zou zijn van zijn verplichting partijen te horen op het ogenblik dat hij, na betaling door de schuldenaar van het door hem bepaalde bedrag, de lijfsdwang niet verder ten uitvoer wenst te leggen, ook al is sprake van een ambtshalve beslissing. Uit de overgelegde stukken is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan, dat het L.B.I.O. door de president niet is gehoord, toen hij het bedrag als bedoeld in art. 598j Rv. vaststelde op ƒ 5.000,--.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/81d993f2ca0a005498dadcea5809c98a684b0dac2250def6e518e8da7191e583. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 81d993f2ca0a005498dadcea5809c98a684b0dac2250def6e518e8da7191e583, en de alinea staat in dat document op bytes 12599 tot 13392.