Citaat | Hoge Raad 15 november 2002
Alinea 34 Hoge Raad 15 november 2002
Een alinea uit Hoge Raad 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0585.
3.3 In hoger beroep heeft de Rechtbank alsnog de loonvordering c.a van [verweerder] toegewezen. Zij heeft daartoe - samengevat weergegeven - als volgt overwogen. Op grond van de overgelegde brieven van het Riagg staat vast dat [verweerder] op 17 oktober 1997 leed aan een stoornis van zijn geestvermogens (rov. 4.1). Ingevolge het bepaalde in art. 3:34 lid 1, tweede volzin, BW wordt een verklaring vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien (rov. 4.2). Een eenzijdige ontslagname met onmiddellijke ingang is in het algemeen nadelig voor de werknemer; in het onderhavige geval was [verweerder] bovendien gedurende een periode voorafgaand aan - en mogelijk zelfs op - 17 oktober 1997 ziek, zodat hij door de eenzijdige ontslagname ook afstand heeft gedaan van een aantal aanspraken die hij uit hoofde van zijn ziekte kon doen gelden. Dit betreft een redelijkerwijze voorzienbaar nadeel (rov. 4.3). [Eiseres] heeft voornoemd wettelijk vermoeden dat de verklaring onder invloed van de geestelijke stoornis is afgelegd, onvoldoende gemotiveerd weerlegd; [verweerder] heeft zich dan ook terecht beroepen op het ontbreken van een met zijn verklaring overeenstemmende wil ten tijde van de ontslagname (rov. 4.4 en 4.5). [Eiseres] heeft echter een beroep gedaan op art. 3:35 BW. Zij heeft betoogd dat zij geen aanleiding had te veronderstellen dat [verweerder] ten tijde van de ontslagname onder invloed handelde van een geestelijke stoornis (rov. 4.6). De juistheid van die stelling kan in het middel blijven; de ingrijpende gevolgen die een eenzijdige ontslagname in beginsel heeft voor de werknemer kunnen meebrengen dat [eiseres], hoezeer zij ook mocht menen dat [verweerder] welbewust ontslag nam, [verweerder] toch niet aan die ontslagname mag houden, indien er niet aan haar zijde sprake is van nadeel (rov. 4.7). Onderzocht moet derhalve worden of [eiseres], door handelen of nalaten gebaseerd op het gerechtvaardigd vertrouwen dat het dienstverband was geëindigd, in een nadeliger positie is komen te verkeren dan waarin zij zou hebben verkeerd als zij dit vertrouwen niet zou hebben gehad (rov. 4.8) Van nadeel als hiervoor bedoeld aan de zijde van [eiseres] is geen sprake, nu als vaststaand moet worden aangenomen dat [verweerder], die met ingang van 25 mei 1998 een WAO-uitkering heeft verkregen, in de periode 17 oktober 1997 tot 25 mei 1998 onafgebroken ziek is geweest. Indien [eiseres] niet verzekerd zou zijn voor doorbetaling van loon tijdens ziekte - hierover heeft zij zich niet uitgelaten - dan is dat een omstandigheid die voor rekening van [eiseres] moet blijven, omdat dit niet een nadeel is dat is ontstaan door het handelen of nalaten als gevolg van gerechtvaardigd vertrouwen. (rov. 4.10 - 4.12)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d6199794e6614ab5677fe167f2b89f22a54bcf51620d40903ca906dbe427ccb9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d6199794e6614ab5677fe167f2b89f22a54bcf51620d40903ca906dbe427ccb9, en de alinea staat in dat document op bytes 9003 tot 11904.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d6199794e6614ab5677fe167f2b89f22a54bcf51620d40903ca906dbe427ccb9 | shasum -a 256