Citaat | Hoge Raad 20 december 2002
Alinea 37 Hoge Raad 20 december 2002
Een alinea uit Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF2283.
Voornoemd artikellid veronderstelt inderdaad dat mondeling een verklaring ter griffie wordt afgelegd, waarvan de griffier een akte opmaakt die op de voet van artikel 53, lid 1, van de Wet met de dagvaarding in cassatie aan de wederpartij wordt betekend, zodat de wederpartij en de cassatierechter dadelijk kunnen nagaan of de cassatietermijn in acht is genomen. Indien echter - zoals in het onderhavige geval is gebeurd - de cassatieverklaring in een brief wordt vastgelegd en vervolgens bij de dagvaarding in cassatie een fotokopie van dat geschrift met een verklaring van de griffier waaruit blijkt dat en wanneer de brief met die verklaring ter griffie is ontvangen, aan de wederpartij wordt betekend, kunnen de wederpartij en de cassatierechter even goed nagaan of de cassatietermijn in acht is genomen. Er bestaat dan ook geen goede reden om het ervoor te houden dat de in artikel 52, lid 3, van de Wet bedoelde verklaring op straffe van nietigheid mondeling moet worden afgelegd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5979807231804b3bd5eea1d3e619d353301d25056e6f7ad879817accfbf30eba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5979807231804b3bd5eea1d3e619d353301d25056e6f7ad879817accfbf30eba, en de alinea staat in dat document op bytes 8653 tot 9651.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5979807231804b3bd5eea1d3e619d353301d25056e6f7ad879817accfbf30eba | shasum -a 256