Citaat | Hoge Raad 21 januari 2003
Alinea 24 Hoge Raad 21 januari 2003
Een alinea uit Hoge Raad 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8815.
3.4. Het betreft hier het gebruik tot het bewijs van een geschrift als bedoeld in art. 344, eerste lid onder 5°, Sv. Voorzover het middel berust op de opvatting dat een dergelijk geschrift slechts dan als bewijsmiddel mag worden gebruikt indien de daarin vervatte mededeling feiten en omstandigheden betreft die door de opsteller zelf zijn waargenomen of ondervonden, stelt het een eis die geen steun vindt in het recht. Voormelde bepaling stelt alleen de eis dat het geschrift verband heeft met de inhoud van andere bewijsmiddelen (vgl. HR 22 juni 1982, NJ 1983,90 en HR 17 oktober 1989, DD 90.074). Voorzover het middel in zijn tweede onderdeel beoogt te klagen dat een dergelijk verband hier ontbreekt, faalt het eveneens. Zodanig verband heeft het Hof aanwezig kunnen achten, meer in het bijzonder nu in de tot het bewijs gebezigde, op 9 december 1998 ten overstaan van de politie afgelegde verklaring van [getuige 1] gewag wordt gemaakt van de verwerving door de verdachte van gestolen autoradio's te Alphen aan den Rijn gedurende ongeveer anderhalf jaar voorafgaande aan genoemde datum.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d51ad31015f807ff3a1574c9b1eb83ef5808be866d6dbf61fa72a4cc366da639. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d51ad31015f807ff3a1574c9b1eb83ef5808be866d6dbf61fa72a4cc366da639, en de alinea staat in dat document op bytes 7680 tot 8787.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d51ad31015f807ff3a1574c9b1eb83ef5808be866d6dbf61fa72a4cc366da639 | shasum -a 256