Citaat | Hoge Raad 21 januari 2003

Alinea 24 Hoge Raad 21 januari 2003

Een alinea uit Hoge Raad 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8845.

Bij de beoordeling van de vraag of het verzwijgen in het proces-verbaal van aanhouding er (tevens) toe leidt dat verdachte dit proces-verbaal meinedig heeft opgemaakt, neemt het hof tot uitgangspunt dat daarvan slechts sprake kan zijn indien dat verzwijgen ertoe leidt dat het wél verklaarde daardoor een zó vertekend beeld van de werkelijkheid geeft dat het het karakter van onwaarheid verkrijgt en als "een valse verklaring" in de zin van art. 207, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt. Daarbij komt betekenis toe aan de vraag of dat verzwijgen in strijd is met een specifieke rechtsplicht. Door onder omstandigheden waarin spreken geboden is te zwijgen, wekt men immers de indruk, waaraan rechtens verwachtingen kunnen worden ontleend, dat hetgeen niet wordt vermeld ook niet heeft plaatsgevonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3fe04592a7229ffb8c4e6a2ca8e6dca0e8fa3e85ec4faf13d7c7303357c94f6f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3fe04592a7229ffb8c4e6a2ca8e6dca0e8fa3e85ec4faf13d7c7303357c94f6f, en de alinea staat in dat document op bytes 9227 tot 10072.