Citaat | Hoge Raad 24 januari 2003

Alinea 42 Hoge Raad 24 januari 2003

Een alinea uit Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9384.

"(...) De in de grief genoemde bewijsmiddelen, uitgezonderd de getuigenverklaring van [betrokkene B], zijn alle afkomstig van of te herleiden tot [betrokkene A]. Dit geldt dus niet alleen voor de overgelegde schriftelijke verklaring van [betrokkene A], maar ook voor de verklaring van [betrokkene C], die immers slechts heeft verklaard over wat hij van [betrokkene A] heeft gehoord, en ook voor de getoonde foto's van bouwwerken, waarover ook door [betrokkene A] is verklaard. Met het oog daarop komt aan al deze bewijsmiddelen tezamen geen meerdere bewijskracht toe, dan zou zijn toegekomen aan de verklaring, die door [betrokkene A] als partij-getuige onder ede zou zijn afgelegd, indien hij daartoe nog de gelegenheid had gehad, derhalve hoogstens aanvullende bewijskracht. Omdat de getuige [betrokkene B] niet uit eigen wetenschap heeft kunnen verklaren dat [betrokkene A] met asbest in aanraking is geweest, vormt zijn verklaring geen onvolledig bewijs in de zin van artikel 213 Rv, dat door de overige in de grief genoemde bewijsmiddelen kan worden aangevuld. (...)"

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/29ca338ff6e927eb5efd525d5542f163c9b2c8e24a7facff07262e7e83ba72ad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 29ca338ff6e927eb5efd525d5542f163c9b2c8e24a7facff07262e7e83ba72ad, en de alinea staat in dat document op bytes 10783 tot 11868.