Citaat | Hoge Raad 21 januari 2003
Alinea 38 Hoge Raad 21 januari 2003
Een alinea uit Hoge Raad 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9669.
Dit ligt anders bij een niet-professionele getuige. De bekendheid met de naam, de voornamen, het beroep, de leeftijd of de woon- en verblijfplaats van een dergelijke getuige kan wel degelijk nodig zijn om de betrouwbaarheid van die getuige te onderzoeken. De rechter-commissaris onderscheidenlijk de rechter ter terechtzitting zal van geval tot geval moeten beoordelen in hoeverre genoemde gegevens bepalend zijn voor de vaststelling van de identiteit van de getuige. Bij de toepassing van de voorgestelde artikelen 190, tweede lid en 284, eerste lid, tweede volzin, zal het in de regel gaan om getuigen die met de verdachte geen enkele relatie hebben, zoals toevallige voorbijgangers. Is er immers wel sprake van een relatie van de verdachte, dan zal de getuige door de verdachte worden herkend en heeft toepassing van genoemde bepalingen geen zin."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d6eb0299ae3a3bdd61a0c58508ff2a2f1247671c2fc876470d9ef3f368a39dc0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d6eb0299ae3a3bdd61a0c58508ff2a2f1247671c2fc876470d9ef3f368a39dc0, en de alinea staat in dat document op bytes 10548 tot 11411.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d6eb0299ae3a3bdd61a0c58508ff2a2f1247671c2fc876470d9ef3f368a39dc0 | shasum -a 256