Citaat | Hoge Raad 21 januari 2003

Alinea 40 Hoge Raad 21 januari 2003

Een alinea uit Hoge Raad 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9669.

4.6. Voorzover het middel blijkens de toelichting erover klaagt dat "de voorzitter (...) dan ook geen genoegen [had] mogen nemen met de domiciliekeuze" geldt het volgende. De vragen naar de in art. 290, eerste lid, eerste volzin, Sv vermelde gegevens strekken in het bijzonder ertoe de identiteit van de getuige vast te stellen. De enkele omstandigheid dat de getuige ter terechtzitting in plaats van zijn werkelijke woon- of verblijfplaats opgeeft ten kantore van zijn advocaat domicilie te kiezen zal in het algemeen, behoudens bijzondere omstandigheden, die hier niet zijn gesteld of gebleken, aan de vaststelling van zijn identiteit niet kunnen afdoen. Van schending van art. 290, eerste lid, Sv is dus geen sprake.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d6eb0299ae3a3bdd61a0c58508ff2a2f1247671c2fc876470d9ef3f368a39dc0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d6eb0299ae3a3bdd61a0c58508ff2a2f1247671c2fc876470d9ef3f368a39dc0, en de alinea staat in dat document op bytes 11520 tot 12252.