Citaat | Hoge Raad 17 januari 2003

Alinea 29 Hoge Raad 17 januari 2003

Een alinea uit Hoge Raad 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168.

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de door het Hof in rov. 1.1-1.5 vastgestelde feiten. Kort samengevat komen die op het volgende neer. Als zekerheid voor de terugbetaling van een lening van Oryx heeft [B] B.V.(hierna: [B]) in 1995 Oryx een pandrecht verschaft op al haar bestaande en nog te verkrijgen vorderingen. In 1996 heeft [B] uit onderaanneming een vordering van ƒ 65.679,91 verkregen op de vennootschap onder firma [A] v.o.f. (hierna: [A]), van welke vennootschap [verweerster] in 1995 en 1996 vennoot was. Volgens art. 6 van de desbetreffende overeenkomst was het [B] uit onderaanneming verboden haar uit die overeenkomst voortvloeiende vorderingen zonder toestemming van [A] "aan een derde te cederen, verpanden of onder welke titel dan ook in eigendom over te dragen" (hierna: het verpandingsverbod). De vordering van ƒ 65.679,91 op [A] - hierna: de vordering - is vermeld op door [B] in het kader van eerdergenoemde verpanding ten behoeve van Oryx opgemaakte pandlijsten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bfd698ff76b2ea3c16b946fb406224be331c000d3ee9f89a6928d0db5b57be85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bfd698ff76b2ea3c16b946fb406224be331c000d3ee9f89a6928d0db5b57be85, en de alinea staat in dat document op bytes 7159 tot 8164.