Citaat | Hoge Raad 4 februari 2003
Alinea 40 Hoge Raad 4 februari 2003
Een alinea uit Hoge Raad 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451.
3.9. In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank vastgesteld dat de uitlevering is verzocht teneinde de opgeëiste persoon te kunnen vervolgen ter zake van de hiervoor onder 3.2 omschreven feiten. De bestreden uitspraak houdt voorts in dat die feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld als medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 10, vierde lid, van de Opiumwet in verbinding met art. 47 Sr. Daarin ligt besloten dat de Rechtbank heeft bevonden dat het hiervoor onder 3.7 bedoelde geval zich hier niet voordoet. Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is in het licht van de door de verzoekende Staat overgelegde stukken niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/37ec5d62848677f4c90b767fa6d92083f5715c0aae42df7ad3f5fe2d0bafdf5a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 37ec5d62848677f4c90b767fa6d92083f5715c0aae42df7ad3f5fe2d0bafdf5a, en de alinea staat in dat document op bytes 14994 tot 15816.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/37ec5d62848677f4c90b767fa6d92083f5715c0aae42df7ad3f5fe2d0bafdf5a | shasum -a 256