Citaat | Hoge Raad 24 januari 2003

Alinea 44 Hoge Raad 24 januari 2003

Een alinea uit Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0694.

Aangenomen moet worden dat, mede gelet op de tekst van art. 3:310 lid 1 BW, het criterium "bekend is geworden" subjectief moet worden opgevat. Degene die zich op de verjaringstermijn van art. 3:310 lid beroept, moet stellen en zonodig bewijzen dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. Dit laatste impliceert onder meer dat de benadeelde voldoende feiten en omstandigheden kent om een causaal verband tussen de schade en de aansprakelijke persoon mogelijk te achten (rov. 6.2). Al voor december 1988 had [verweerder] klachten. Nadat [verweerder] op 27 december 1988 zijn huisarts had meegedeeld te vermoeden dat zijn klachten samenhingen met de op zijn werk gebruikte chemicaliën, heeft de huisarts contact opgenomen met de bedrijfsgeneeskundige dienst (hierna: BGD) en een bloedonderzoek doen verrichten. De dienst achtte een relatie tussen de klachten en de chemicaliën op het werk nauwelijks mogelijk (rov.6.3 en 6.4). Wanneer een niet terzake deskundige, zoals [verweerder], die een mogelijk verband veronderstelt tussen chemicaliën op het werk en zijn gezondheidsklachten, daarin niet wordt bevestigd door zijn huisarts en de BGD, kan niet gezegd worden dat het causale verband tussen de klachten en de blootstelling aan chemicaliën aan hem bekend was in de zin van art. 3:310 lid 1 BW (rov. 6.5). Bij brief van 15 december 1992 heeft de afdeling neurologie van het Medisch Spectrum Twente aan de huisarts van [verweerder] laten weten dat het klachtenpatroon van [verweerder] kan passen bij een milde organische oplosmiddelenintoxicatie. Niet valt in te zien dat [verweerder] hieraan niet de conclusie mocht verbinden dat een causaal verband tussen zijn klachten en de blootstelling aan chemicaliën mogelijk was. Aangenomen moet derhalve worden dat de verjaring is gaan lopen op 15 december 1992 (rov. 6.6). In de brief van 11 [21] november 1997 is ondubbelzinnig een recht op nakoming voorbehouden. Deze brief kan in ieder geval als een stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 BW worden beschouwd (rov. 6.7).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/47e421115c5d37ffa1daa7f4e33ef77daac959dbcf717d1a0c73f05b2b25d49b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 47e421115c5d37ffa1daa7f4e33ef77daac959dbcf717d1a0c73f05b2b25d49b, en de alinea staat in dat document op bytes 10981 tot 13075.