Citaat | Hoge Raad 24 januari 2003
Alinea 45 Hoge Raad 24 januari 2003
Een alinea uit Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0694.
3.4.1 De onderdelen 1.1 - 1.4 zijn gericht tegen hetgeen de Rechtbank heeft overwogen in de rov. 6.2 en 6.5. Zij betogen het volgende. Aan het bekendheidsvereiste van art. 3:310 lid 1 BW moet geacht worden te zijn voldaan als de benadeelde zelf, zoals ook in het onderhavige geval, het voor mogelijk houdt dat zijn schade verband houdt met het handelen of nalaten van een bepaald persoon (1.1). Dat de benadeelde vooralsnog niet in zijn vermoeden wordt bevestigd, doet hier niet aan af. Als hij bevestiging van zijn vermoeden wenst, mag van hem verlangd worden dat hij met zodanige voortvarendheid nader onderzoek laat verrichten dat hij in staat is binnen de termijn van vijf jaar (vanaf het tijdstip dat het vermoeden bij hem rees) te besluiten of er grond bestaat de voltooiing van de verjaring te voorkomen (1.2). Het is in strijd met de rechtszekerheid om de aanvang van een verjaringstermijn afhankelijk te stellen van het al dan niet bestaan van een bepaalde mate van bevestiging omtrent het causaal verband (1.3). Zeker in een geval als het onderhavige - waarin de benadeelde het vermoeden niet heeft prijsgegeven en hij binnen vijf jaar een bevestiging van dat vermoeden heeft gekregen - mag die eis niet gesteld worden (1.4).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/47e421115c5d37ffa1daa7f4e33ef77daac959dbcf717d1a0c73f05b2b25d49b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 47e421115c5d37ffa1daa7f4e33ef77daac959dbcf717d1a0c73f05b2b25d49b, en de alinea staat in dat document op bytes 13113 tot 14361.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/47e421115c5d37ffa1daa7f4e33ef77daac959dbcf717d1a0c73f05b2b25d49b | shasum -a 256