Citaat | Hoge Raad 7 maart 2003

Alinea 39 Hoge Raad 7 maart 2003

Een alinea uit Hoge Raad 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1310.

3.3 Onderdeel B keert zich tegen de vaststelling door het Hof in rov. 2.4 dat de man ongeveer ƒ 133,-- per maand aan de Open Universiteit betaalt voor zijn studie Nederlands recht en de beslissing van het Hof in rov. 3.3 dat rekening gehouden wordt met dit bedrag omdat de noodzaak tot betaling daarvan, althans de redelijkheid van deze betaling, aannemelijk is geworden. Het onderdeel klaagt terecht dat deze oordelen van het Hof in het licht van de gedingstukken zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, onbegrijpelijk zijn. De man heeft immers, nadat hij in het geding bij de Rechtbank (slechts) één bewijsstuk van betaling van ƒ 132,50 (van 4 juli 2001) en een inschrijvingsbewijs voor een periode die eindigde op 31 augustus 2001 had overgelegd, te dezer zake bij het Hof geen nader bewijs aangevoerd, ook niet tijdens de mondelinge behandeling van 11 maart 2002, terwijl de vrouw steeds heeft betwist dat de man zijn studie ook na 31 augustus 2001 heeft voortgezet en dat de daaraan verbonden kosten ƒ 133,-- per maand bedragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcb661e5be525e9f48bd42465330502a606f15c64af0ca1a117f42fb3f476b34. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcb661e5be525e9f48bd42465330502a606f15c64af0ca1a117f42fb3f476b34, en de alinea staat in dat document op bytes 9892 tot 10952.