Citaat | Hoge Raad 21 maart 2003

Alinea 39 Hoge Raad 21 maart 2003

Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2158.

3.3 Het middel betoogt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat het vonnis van de Kantonrechter dient te worden beschouwd als een ingevolge het bepaalde in art. 106 (oud) Rv. gewezen verstekvonnis, waartegen Bruynzeel uitsluitend het rechtsmiddel van verzet had kunnen aanwenden. Van een verstekvonnis als bedoeld in art. 106 is slechts sprake, indien gedaagde in de procedure in eerste aanleg behoorlijk is opgeroepen, maar niet is verschenen (en het verstek nadien niet is gezuiverd). Uit het vonnis van de Kantonrechter blijkt dat dit op tegenspraak is gewezen. Met de overweging dat gedaagde partij wel in de gelegenheid is gesteld te antwoorden, is kennelijk bedoeld dat Bruynzeel wel is verschenen, maar niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om te antwoorden. Het oordeel van de Rechtbank dat het vonnis van de Kantonrechter dient te worden uitgelegd als een verstekvonnis, is onbegrijpelijk. Uit het vonnis van de Kantonrechter valt niet af te leiden, dat Bruynzeel in eerste aanleg niet is verschenen of dat de vordering van [verweerder] c.s. bij verstek is toegewezen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f5e86f0f56a291bb80bab5759bd48ee8e6f1cb35e67c80fe2e6f943dc3c68937. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f5e86f0f56a291bb80bab5759bd48ee8e6f1cb35e67c80fe2e6f943dc3c68937, en de alinea staat in dat document op bytes 9123 tot 10232.