Citaat | Hoge Raad 21 maart 2003
Alinea 50 Hoge Raad 21 maart 2003
Een alinea uit Hoge Raad 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2683.
3.4.2 Het te dezen toepasselijke art. 7A:1623i lid 2 bepaalt, voorzover thans van belang, dat bij het overlijden van de huurder van woonruimte de persoon die niet op grond van lid 1 huurder wordt omdat hij medehuurder was, doch die wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huurovereenkomst voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder. Hij zet de overeenkomst ook nadien voort, indien de kantonrechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingestelde vordering, en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. Op grond van deze bepaling, die - met een paar wijzigingen van ondergeschikte aard - ook is opgenomen in art. 7:268 BW, zoals vervat in de nieuwe titel 7.4 BW (Wet van 21 november 2002, Stb. 587), was [eiseres] dus niet gehouden om [verweerder] binnen de bedoelde termijn van zes maanden ervan te verwittigen dat zij de huurovereenkomst niet wilde voortzetten, noch om hem te wijzen op de mogelijkheid om een vordering als zojuist bedoeld in te stellen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/03e6f1ca76b9f71a32a9454bd304d422113ca0ff85508597cbd513fa664836c8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 03e6f1ca76b9f71a32a9454bd304d422113ca0ff85508597cbd513fa664836c8, en de alinea staat in dat document op bytes 16245 tot 17383.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/03e6f1ca76b9f71a32a9454bd304d422113ca0ff85508597cbd513fa664836c8 | shasum -a 256