Citaat | Hoge Raad 11 april 2003
Alinea 53 Hoge Raad 11 april 2003
Een alinea uit Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841.
3.2 Van berusting kan slechts sprake zijn ingeval de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt of een houding heeft aangenomen waaruit dit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor, aangezien immers Hoda niet heeft verklaard in de bestreden uitspraak te berusten en de gebruikte woorden "algeheel en finaal gekweten" in de brief van Mondi en de reactie van Hoda daarop weliswaar zouden kunnen wijzen op een berusting door Hoda in de uitspraak, maar een tegengestelde opvatting, gelet op de overige inhoud van de brief, evenzeer denkbaar is. De brief van Mondi van 2 juli 2001 is voor een groot deel gewijd aan de vraag of Mondi het bedrag dat zij bij uitvoering van het bestreden arrest aan Hoda verschuldigd was, voor een gedeelte mocht voldoen door betaling rechtstreeks aan een derde, Monica. De door Hoda verleende kwijting kan hierop betrekking hebben. Mondi mocht de reactie van Hoda op de brief van haar raadsman dan ook niet zodanig opvatten dat Hoda daarin te kennen gaf ervan af te zien een rechtsmiddel in te stellen tegen de uitspraak van het Hof. Hoda is derhalve ontvankelijk in haar beroep.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c62a40aca8b2273df177b6847a09a122c9a05e84e6702cd870ee88ef1690bd6a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c62a40aca8b2273df177b6847a09a122c9a05e84e6702cd870ee88ef1690bd6a, en de alinea staat in dat document op bytes 11651 tot 12941.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c62a40aca8b2273df177b6847a09a122c9a05e84e6702cd870ee88ef1690bd6a | shasum -a 256