Citaat | Hoge Raad 25 februari 2003

Alinea 20 Hoge Raad 25 februari 2003

Een alinea uit Hoge Raad 25 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3097.

3.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al wordt dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. Dit is slechts anders indien de rechter voor wie de zaak is aangebracht, in redelijkheid mag aannemen dat de verdachte er geen prijs op heeft gesteld, hetzij ter terechtzitting te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan hetzij in zijn afwezigheid door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter verdediging te laten voeren. Een goede procesorde brengt voorts mee dat wanneer, zoals in het onderhavige geval, reden bestaat tot twijfel omtrent het nageleefd zijn van voormeld voorschrift, de rechter - alvorens nadat de zaak is uitgeroepen het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten - zich ervan vergewist dat hetzij voormeld voorschrift is nageleefd hetzij één der voormelde uitzonderingsgevallen zich voordoet. Noch uit het bestreden arrest noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 augustus 1998 blijkt echter dat het een of het ander is geschied.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a14adba9dc35f2eeb8005cf9f28de1ead5debb1b559f8b39958010bf01f9a064. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a14adba9dc35f2eeb8005cf9f28de1ead5debb1b559f8b39958010bf01f9a064, en de alinea staat in dat document op bytes 7474 tot 8946.