Citaat | Hoge Raad 24 januari 2003
Alinea 32 Hoge Raad 24 januari 2003
Een alinea uit Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3254.
(iii) Bij arrest van 5 mei 1994, zaak C-38/93, Jurispr. 1994, p. I-1679 (Glawe) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) in antwoord op prejudiciële vragen beslist dat bij kansspelautomaten die, krachtens bij wet dwingend voorgeschreven verplichtingen aldus zijn ontworpen, dat gemiddeld ten minste 60% van de door de spelers ingezette bedragen hun weer als prijs worden uitgekeerd, de daadwerkelijk door de exploitant ontvangen tegenprestatie voor de terbeschikkingstelling van de automaten slechts bestaat uit het percentage van de inzetten waarover hij daadwerkelijk voor eigen rekening kan beschikken, en vervolgens voor recht verklaard dat art. 11A lid 1, sub a, van de Zesde Richtlijn (Richtlijn 77/388/EEG, Pb. 1977, L 145, hierna: de Zesde Richtlijn) aldus moet worden uitgelegd dat bij speelautomaten waarmee geld kan worden gewonnen, de maatstaf van de heffing niet het bij de wet dwingend voorgeschreven percentage van de totale waarde van de inzetten omvat, dat overeenkomt met de aan de spelers uitgekeerde prijzen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cce5bf22789cac58cf845b69c7a84f4e4a02d43b625425caca98528affc89ad1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cce5bf22789cac58cf845b69c7a84f4e4a02d43b625425caca98528affc89ad1, en de alinea staat in dat document op bytes 7897 tot 8965.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cce5bf22789cac58cf845b69c7a84f4e4a02d43b625425caca98528affc89ad1 | shasum -a 256