Citaat | Hoge Raad 20 mei 2003

Alinea 28 Hoge Raad 20 mei 2003

Een alinea uit Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308.

4.6. Bij de beoordeling van de klacht dat de Rechtbank het verweer ten onrechte heeft verworpen ertoe strekkende dat de opgeëiste persoon onverwijld zijn onschuld heeft aangetoond, moet worden vooropgesteld dat een onschuldbewering alleen dan doel treft indien de Rechtbank onverwijld, dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf, tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld (vgl. HR 15 december 1998, NJ 1999, 206 rov. 3.4.). Het oordeel dienaangaande van de Rechtbank is feitelijk. In het licht van het feit waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard en op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal, een en ander onder 27, 28 en 29, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Voor de verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba20eb30a7b7a66f68e768e913792fc7f99a128c4d789e1f67655c2afe079c1a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba20eb30a7b7a66f68e768e913792fc7f99a128c4d789e1f67655c2afe079c1a, en de alinea staat in dat document op bytes 8322 tot 9161.