Citaat | Hoge Raad 20 mei 2003

Alinea 48 Hoge Raad 20 mei 2003

Een alinea uit Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308.

6.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de Rechtbank ten onrechte het verweer heeft verworpen dat ertoe strekte dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een reeds voltooide, alsmede een nog dreigende flagrante schending van art. 6, eerste lid, EVRM. Meer in het bijzonder wordt daartoe aangevoerd dat het bewijsmateriaal tegen de opgeëiste persoon is verkregen door foltering van getuigen en dat de opgeëiste persoon zelf het reële risico loopt na de uitlevering aan foltering te worden onderworpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba20eb30a7b7a66f68e768e913792fc7f99a128c4d789e1f67655c2afe079c1a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba20eb30a7b7a66f68e768e913792fc7f99a128c4d789e1f67655c2afe079c1a, en de alinea staat in dat document op bytes 14507 tot 15050.