Citaat | Hoge Raad 20 mei 2003

Alinea 58 Hoge Raad 20 mei 2003

Een alinea uit Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308.

6.4.1. Bij de beoordeling van de klacht moet het volgende worden vooropgesteld. In de gevallen waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, brengt het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dat verdrag zal eerbiedigen mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk (HR 11 maart 2003, LJN AF3312).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba20eb30a7b7a66f68e768e913792fc7f99a128c4d789e1f67655c2afe079c1a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba20eb30a7b7a66f68e768e913792fc7f99a128c4d789e1f67655c2afe079c1a, en de alinea staat in dat document op bytes 18381 tot 19613.