Citaat | Hoge Raad 20 mei 2003
Alinea 60 Hoge Raad 20 mei 2003
Een alinea uit Hoge Raad 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308.
6.5. Voorzover het middel de klacht bevat dat de opgeëiste persoon zelf na zijn uitlevering foltering heeft te vrezen, is het oordeel of de uitlevering op die grond moet worden geweigerd voorbehouden aan de Minister van Justitie (vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533). Slechts indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door politiefunctionarissen van de verzoekende staat in verband met deze zaak is gefolterd, kan een inbreuk op het door art. 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces niet meer worden afgewend en komt het oordeel of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd toe aan de uitleveringsrechter, die daarbij het onder 6.4.1 overwogene in zijn oordeel zal hebben te betrekken. Dat de opgeëiste persoon in verband met deze zaak reeds is gefolterd is niet gesteld en ook niet komen vast te staan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba20eb30a7b7a66f68e768e913792fc7f99a128c4d789e1f67655c2afe079c1a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba20eb30a7b7a66f68e768e913792fc7f99a128c4d789e1f67655c2afe079c1a, en de alinea staat in dat document op bytes 20145 tot 20989.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ba20eb30a7b7a66f68e768e913792fc7f99a128c4d789e1f67655c2afe079c1a | shasum -a 256