Citaat | Hoge Raad 11 maart 2003

Alinea 21 Hoge Raad 11 maart 2003

Een alinea uit Hoge Raad 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312.

4. Gelet op het vorenstaande, te weten enerzijds de (kennelijke afwezigheid van) ingewikkeldheid en (betrekkelijk geringe) ernst van de verweten feiten en anderzijds de mate van voortvarendheid welke door de Belgische vervolgende autoriteiten is betracht is de rechtbank van oordeel dat een zodanige schending van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden dat deze schending van het hierboven bedoelde bepaalde in art. 6 EVRM oplevert welke, gelet op het voorgaande, zodanig is dat deze niet kan worden gecompenseerd door strafvermindering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/03d12637fac5e934c852fe8fba7b67c4c04ef49bb87d8b070fb5f4b9c6250362. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 03d12637fac5e934c852fe8fba7b67c4c04ef49bb87d8b070fb5f4b9c6250362, en de alinea staat in dat document op bytes 8081 tot 8634.