Citaat | Hoge Raad 25 maart 2003

Alinea 37 Hoge Raad 25 maart 2003

Een alinea uit Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3329.

3.6. Uit het in 3.5 geschetste systeem van de Wet OB volgt dat de ondernemer omzetbelasting verschuldigd is aan de Belastingdienst op het tijdstip waarop ingevolge art. 35 van die wet een factuur moet worden uitgereikt of waarop ingevolge art. 37 een factuur is uitgereikt, dan wel indien uitreiking ingevolge art. 35 niet tijdig plaatsvindt, op het tijdstip waarop zij uiterlijk had moeten geschieden en in andere gevallen op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht, alsmede dat de omzetbelasting op aangifte moet worden voldaan. Uit dit wettelijk systeem volgt echter niet, noch bestaat er anderszins grond om aan te nemen dat degene die vanaf de genoemde tijdstippen omzetbelasting verschuldigd is en daarvan aangifte moet doen, in het geval dat een afnemer aan hem een geldbedrag heeft betaald ter zake van omzetbelasting, dat geld onder zich heeft terwijl het toebehoort aan de Belastingdienst in de zin van art. 321 Sr. In een dergelijk geval is sprake van een schuld van de betrokkene aan de Belastingdienst die de betrokkene uit eigen hoofde uit hem ter beschikking staande middelen behoort te voldoen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3bf5f25d16cc5070ac4c4ad15d7eed92bfe716ff52ee99f3e5fe17d57b74e0a4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3bf5f25d16cc5070ac4c4ad15d7eed92bfe716ff52ee99f3e5fe17d57b74e0a4, en de alinea staat in dat document op bytes 11150 tot 12294.