Citaat | Hoge Raad 11 april 2003

Alinea 48 Hoge Raad 11 april 2003

Een alinea uit Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3422.

De Rechtbank heeft omtrent de appelgrieven 7 en 8 van [eiseressen], die waren gericht tegen de ontkennende beantwoording van voormelde vraag door de Kantonrechter, geoordeeld dat deze geen zelfstandige betekenis meer hebben en dat bespreking daarvan achterwege kan blijven. Aan dit oordeel heeft de Rechtbank ten grondslag gelegd dat, nu niet is komen vast te staan dat [eiseressen] per 1 oktober 1995 aanspraak konden maken op wederindiensttreding, ook de loonvordering over de periode 15 mei 1996 tot 1 juli 1996 strandt (rov. 6.7). Onderdeel 1 bestrijdt dit oordeel als onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. Uit hetgeen hierna naar aanleiding van onderdeel 4 wordt overwogen, volgt dat hetgeen de Rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd in cassatie geen stand kan houden, zodat deze klacht doel treft. Voor het overige behoeft het onderdeel geen behandeling. Na verwijzing zal alsnog kunnen worden onderzocht of de werkzaamheden in de schuur kunnen worden begrepen onder "werk in de weefselkweek".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/87d14ff5e8664f9f78f0590108f4d40b5eb2afcbc754c64a4d444d42e1b9b33e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 87d14ff5e8664f9f78f0590108f4d40b5eb2afcbc754c64a4d444d42e1b9b33e, en de alinea staat in dat document op bytes 10800 tot 11831.