Citaat | Hoge Raad 8 april 2003

Alinea 36 Hoge Raad 8 april 2003

Een alinea uit Hoge Raad 8 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4323.

3.5. Gelet op het hiervoor onder 3.3 en 3.4 overwogene moet worden aangenomen dat art. 279 Sv niet betrekking heeft op een zogenaamde beperkte machtiging, maar beoogt dat de raadsman die heeft verklaard dat hij door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd om hem te verdedigen ter verdediging alle hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen. Dat de wetgever niet heeft willen weten van een machtiging die op enigerlei wijze is beperkt tot bepaalde onderdelen van het voeren van de verdediging, zoals hier tot het doen van een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv tot het oproepen van getuigen, strookt met het bepaalde in art. 331, eerste lid, Sv. De in dit artikel aan de verdachte toegekende bevoegdheden, met inbegrip derhalve van die tot het doen van verzoeken als waarvan hier sprake is, komen ingevolge die bepaling slechts toe aan de raadsman van de afwezige verdachte indien deze op de voet van art. 279, eerste lid, Sv is toegelaten tot de verdediging, hetgeen in verband met die bepaling aldus moet worden verstaan dat de raadsman in dat geval de verdediging in volle omvang kan voeren op de wijze waarop hem dit, in overeenstemming met de verdachte, dienstig voorkomt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b4d962eb2b9d648d249bbbb3d5ca38f1645d13e067515bd5b9363ef160338ca0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b4d962eb2b9d648d249bbbb3d5ca38f1645d13e067515bd5b9363ef160338ca0, en de alinea staat in dat document op bytes 10671 tot 11904.