Citaat | Hoge Raad 9 mei 2003

Alinea 49 Hoge Raad 9 mei 2003

Een alinea uit Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606.

4.3.1 [Eiser] heeft in cassatie nog doen aanvoeren dat "hij zich na het vaststellen van het door de Provincie gepleegde bedrog door de Rechtbank (...) voor het dilemma gesteld zag hoe hij dit bedrog in rechte aan de orde kon stellen". Geen van de denkbare procesrechtelijke wegen bood volgens hem zonder meer kans van slagen. Het feit dat aan de door hem gekozen weg het hiervóór in 4.2 vermelde bezwaar kleeft, mag volgens hem niet eraan in de weg staan dat het gesignaleerde bedrog in de procedure aan de orde wordt gesteld en hij wil daarom alsnog in staat worden gesteld zijn grieven tegen de afwijzing van de primaire reconventionele vordering naar voren te brengen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c94950cd09ce96e280f2970f86eb4167327d7df1b312be04dea29cfe5dc6da4e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c94950cd09ce96e280f2970f86eb4167327d7df1b312be04dea29cfe5dc6da4e, en de alinea staat in dat document op bytes 15674 tot 16360.