Citaat | Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 40 Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5456.

"6.3.1. Het ontbreken van een verschoningsrecht in de WPE wordt volgens de verdediging doorkruist door het nemo tenetur-beginsel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM(28). [Verdachte] is onder druk gezet met behulp van door middel van dubieuze onderzoeksmethoden vergaarde informatie. [Verdachte] was van de concrete verdenking op de hoogte en kon niet meer in vrijheid zijn proceshouding bepalen. De dwang bestond uit het feit dat hij onder ede werd gehoord en dat hem bij een valse verklaring een strafvervolging boven het hoofd hing. Als hij geen valse verklaring zou afleggen, dan zou hij zichzelf zonder meer belasten (voor die andere strafbare feiten die in het Fort-onderzoek naar voren waren gekomen). Als onderdeel van de op hem uitgeoefende druk - die ook nog eens door de publiciteit, met name door de rechtstreekse TV-uitzending van het verhoor, werd versterkt - geldt ook de onzekerheid waarin hij kwam te verkeren omtrent de vraag of de door hem verstrekte informatie later toch niet als bewijs tegen hem zou worden gebruikt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ee9b49d474cba6e9c5c489a3a8ffbb44cc0dda207d2edbfbd3e5a9c5c592b7e, en de alinea staat in dat document op bytes 13633 tot 14691.